woensdag 9 november 2011

Het Grote Wachten..

Ik zit te wachten, maar ik weet niet waarop. Niet dat ik nu op dit moment, met mijn vingers tikkend op het tafelblad, letterlijk zit te wachten op iets wat staat te gebeuren, wellicht gepland is of op een bepaalde tijd zijn aanvang zou hebben. Het is meer dan dat. Groter. Ondefinieerbaar. Ik wacht, maar kan met de beste wil van de wereld niet duidelijk omschrijven waar nou het wachten op is. Kent u dat gevoel? Nee hè, daar was ik al bang voor. Ik heb al lange tijd het gevoel dat ik daarmee behoor tot een minderheid. Misschien ben ik hierin zelfs wel een eenling. Om mij heen wacht namelijk niemand. Iedereen doet maar en lijkt op doelen af te stevenen die zij zichzelf blijkbaar hebben gesteld. Ze wachten niet, maar doen. Ik kan dat niet. En dus doe ik eigenlijk nooit wat. Uiteindelijk. 
 
Ik heb wel ideeën, wensen en dromen maar ik begin er nooit aan deze te verwezenlijken. Ik wacht op betere tijden. Op meer geluk. Op de gelegenheid. Op steun. Op rust. Op tijd. Overal eigenlijk op. Maar het lijkt er nooit van te komen. Is het niet het één waar nog even het wachten op is, dan is het wel het andere. In mijn optiek zijn omstandigheden nooit ideaal, kun je nooit zomaar gewoon gaan doen wat je graag zou willen of is het een drukte van belang door allerlei beren op de weg, zoals ze dat dan zo mooi noemen. Ik zie tegenslagen voor een ander ze, met heel veel fantasie, ook maar ooit bedacht zou kunnen hebben. Ik zie in alles een probleem. En dus is het beter te wachten. Tot alles is opgelost en ik eindelijk aan de gang kan. Klopt. Dat duurt inderdaad erg lang. Ik had het door. Maar ik heb geduld. En dus wacht ik. Want ooit moet het lukken. Toch? Ooit is alles beter.

Toch begin ik zo nu en dan een beetje nerveus te worden. Zenuwachtig. Er bekruipt mij dan een onbehagelijk gevoel. Alsof ik te laat dreig te komen op een belangrijke afspraak waar alles van af zou hangen. Denkbeeldig sta ik dan vol ergernis in een zelfbedachte file of voor een open brug. Ieder stoplicht wat ik moet passeren staat hatelijk lang op rood en als ik dan denk een beetje door te kunnen rijden zit ik achter een stel bejaarden in een 45 kilometer autootje op een weg waar geen discussie bestaat over het nut van het daar ingestelde inhaalverbod. Ik besef me dat ik de afspraak niet meer ga halen en vraag me af waarom ik niet eerder van huis ben gegaan. Ik heb spijt, voel me stom en snap niets van mezelf. Ik had kansen genoeg maar verzuimde keer op keer deze te benutten.

Nog steeds denkbeeldig ga ik dan aan de kant van de weg staan. Ik probeer te berusten in mijn lot. En ik wacht. Ik wacht op een filevrije rijbaan om er vol tegenaan te kunnen. Stoplichten zullen er dan vast niet meer zijn, laat staan kleine rotautootjes die al je goede bedoelingen in de weg staan. Het is nog niet te laat. Ik moet gewoon nog even geduld hebben. Dat is alles. Wachten op het juiste moment. Laat die anderen maar rennen en doen. Ik heb mijn dromen tenminste nog. En zo probeer ik het dan maar een beetje te zien. Het voor mijzelf goed te praten. Anderen noemen mij laf. Zeggen dat ik niet durf en daarom nooit ergens aan begin. Onzin. Ik ben gewoon wat afwachtend. Dat ligt besloten in mijn karakter. Maar morgen, en anders wel overmorgen, zal alles anders zijn. U zult het zien. U zult het beleven. Want op een dag is het de tijd. Mijn tijd. Wacht maar af.