donderdag 13 mei 2010

De Persoonlijke Chaos..


In principe ruim ik mijn huis alleen nog maar op als ik weet dat ik visite krijg. Het is inmiddels een onbeschrijfelijke bende hier. Deels is dit luiheid, deels tijdgebrek. Zou ik hier namelijk al te veel tijd en aandacht aan besteden komt mijn luiheid in gevaar. In het leven is het een kwestie van keuzes maken. Toch schaam ik mij ook wel een beetje hoe ik er bij zit. Vandaar dat ik meestal hard aan de gang ga als er bezoek komt. Ik heb toen zelfs wel eens iemand horen zeggen dat ik zo’n keurige jongeman was. Complimenten kreeg ik. En was iedereen maar behept met het verantwoordelijkheidsgevoel wat ik had. Nou, dikke vinger dus. Als ik hier na een dag weg werken weer binnenstap, vraag ik mij altijd weer af hoe een mens zo kan leven. Naja, zo dus.
Overal in huis staat en ligt rotzooi. Van lege bierblikjes, idem flessen wijn, oud papier, kleding, afwas en voedselresten tot aan dode planten, glas, sloophout, ongebruikte monitors en braaksel. Ja, dat laatste is inderdaad niet fris. Maar dat was dan ook meer experimenteel. Het is me namelijk een keer opgevallen dat dergelijk spul zichzelf op lijkt te lossen. Eerst droogt het op en daarna vindt er een soort van verpulvering plaats. Toen ik laatst hier in de kamer over mijn nek ging -Mijn hemel, wat een avond; zeg niet dat in je eentje zitten zuipen niet gezellig kan zijn- besloot ik het te laten liggen om te zien wat er zou gebeuren. Gewoon, een gezonde hang naar nieuwsgierigheid. En de resultaten zouden uiteindelijk nog wel eens spectaculair kunnen zijn. Niemand schept er tenslotte genoegen in dat soort zooi op te moeten ruimen. Hoeft niet meer. Gewoon laten liggen, zo blijkt nu. Tijd is alles.
Als het echt te gek dreigt te worden, haal ik nog wel eens een washandje over de wc bril of werk daar de ergste troep een beetje weg met mijn sok. Logisch dus dat ik regelmatig in de wasbak zeik. Toch een stuk frisser aangezicht dan zo’n aangekoekt duoblok. Hoewel het soms ook bijna een soort van uitdaging kan zijn sommige restanten weg te urineren. Wat je weleens ziet in openbare toiletten is zo’n vliegje in het midden van de pot. Ik heb, mits de fantasie een beetje gebruikt, een complete dierentuin aan het glazuur geplakt zitten. Mijn slaapkamer is helemaal een verhaal apart. Daar kreeg ik toch al nooit visite, dus wat daar aan de hand is laat zich inmiddels helemaal niet meer beschrijven. En die lucht; zelfs voor mij blijft het elke keer weer wennen. Ik zou een middelgroot Afrikaans land kunnen voorzien van allerlei ongewassen kleding, als ze het tenminste bij de grens niet zouden weigeren. Wat een troep, wat een chaos.
Ik heb geen idee hoe dit zal eindigen. Ik kan alleen maar hopen dat ik niet op een dag op tv kom. U kent die programma’s wel; komen ze met een mannetje of dertig je huis opruimen, onderwijl allerlei verbaasde en afkeurende kreten slakende. Dan kom ik in beeld en moet ik vertellen hoe het zo is gekomen. En dat kan ik niet. Ik kan toch niet toegeven dat ik lui ben maar bovendien nooit visite krijg? De vernedering zou compleet zijn. Onoverkomelijk pijnlijk. Soms speel ik wel eens met de gedachte op te gaan ruimen. Een soort van grote schoonmaak te houden. Net te doen of ik morgen bezoek krijg. Maar dat is maar heel soms. En komt er nooit van. Nu vraag ik mij vooral af wat er zou gebeuren als ik op de eettafel mijn behoefte doe. Zou het drogen? Verpulveren? Zichzelf uiteindelijk oplossen? Ik waag het erop. Gezonde nieuwsgierigheid. Kom gerust een keer langs. Maar wel eerst even bellen.

maandag 10 mei 2010

Het Onvermijdelijke Afsluiten..


Zwijgend liep hij door de lange gang van herinneringen. Hij sloot de kleine houten luikjes waarachter zich de symbolen van voorheen bevonden. Opgeborgen in de uitsparingen, met veel moeite gebikt in het harde steen van de massieve wanden, van die lange gang. Het was er donker en koud. En hoe meer luikjes hij sloot, hoe meer herinneringen hij aan het oog onttrok en hoe donkerder het werd. Omdat de kleine openingen een zeker licht hadden weten uit te stralen. Of was het hoop geweest? Hij wist het niet en rilde even van de kou. Het was vochtig en kil, daar diep in de kern van zijn gedachten.

Het was triest te moeten constateren dat deze laatste wandeling, langs de mooie dingen van voorheen, hem nu nogal afstandelijk en leeg voorkwamen. Dat het blijkbaar toch mogelijk was geweest hem zover te krijgen dat uiteindelijk niets er meer toe deed. Hij, die nooit opgaf en altijd het goede leek te blijven zien, sloot de houten luikjes. Met een verbittering die hem, tot dan toe, volledig vreemd was geweest. Al die moeite bij het opbouwen van deze herinneringen; nu verworden tot slechts een simpel besef dat alles voor niets was geweest. Omdat tegen onredelijkheid nu eenmaal geen wapens bestaan.

Zwijgend liep hij door de lange gang van zijn herinneringen en keek mistroostig naar wat zich in de ruim uitgehouwen gaten in de stenen wand bevond. Om daarna zorgvuldig de deurtjes te sluiten. Met pijn in zijn hart, omdat hij het zich ooit allemaal anders had voorgesteld. Maar misschien vooral omdat hij teleurgesteld was. In haar, die deel uitmaakte van herinneringen die blijvend hadden moeten zijn. Maar hij was uiteindelijk voor haar de moeite niet waard geweest. Moest hij dan nog blijven proberen? Nadat hij het laatste luikje sloot, liep hij door naar het licht aan het einde van de gang. Het leek verder dan ooit. Maar vooral nog leek alles nu  ineens zonder doel.