woensdag 4 januari 2017

Het Grommend Geluk..

Weet u? Ik heb altijd graag een beer willen zijn. En niet omdat ik het fijn vind om op de weg te staan, helemaal niet.  En ook niet omdat mijn lichaamsbeharing nogal welig tiert en ik zo als beer door het leven zou kunnen. Zelfs dat niet. Hoewel, dat laatste verdient wel een kleine nuance. Want ik mag dan haar hebben op plekken waar je dit liever niet zou zien, erg gelijkmatig is het allemaal niet. Als ik niet regelmatig met mijn Gardena aan de gang ga ben ik net zo’n slecht geknipte poedel. Het is werkelijk geen gezicht. Waar ik vroeger nog een half uur met het haar op mijn hoofd bezig was, vlecht ik nu dreads op mijn buik. Ik ben ooit met mijn blote rug tegen een pas gesausde wand gaan staan. Krijg nu nog weleens vragen over welke structuurverf ik daar heb gebruikt. Maar ik dwaal af.

Een beer dus. Ik zou wel een beer willen zijn. Want beren slapen. Veel. En dan vooral in de winter. Nou ben ik niet degene die het beter weet te denken dan God, ik ben tenslotte geen vrouw, maar ik zie hier wel een puntje in het ontwerp van de mensheid waar ik kanttekeningen bij durf te plaatsen. Een winterslaap had echt iets voor ons geweest. Het zou ons goed doen. En mij zeker. Allereerst heb ik helemaal niks met de winter. De winter is gewoon kudt. Het is koud, nat en het waait. En dat maanden achter elkaar. Het is twintig uur per dag donker. Je komt van ellende ’s morgens je bed niet meer uit. En waarom zou je ook? Motiveer mij nou eens om op te staan, het direct koud te hebben en in het donker mijn autoramen te gaan staan krabben. Waarom zou ik dat met plezier doen? Precies, moet je van verdomd goede huize komen mij te overtuigen van de voordelen. Red je niet.


De wintermaanden zou je slapend door moeten kunnen brengen. Eind oktober schud je elkaar de hand. Je zwaait nog even en trekt de deur achter je dicht. Je knipt de elektrische deken op standje drie. Terwijl deze alvast je dekentjes verwarmt trek je de gordijnen dicht en controleer je nog even of alle deuren op slot zijn. Met je vingers tik je op de thermostaat. Die hoeft niet te warm, maar zeker niet te koud. In het schemer loop je nog één keer door het huis. Het is er stil en behaaglijk. Buiten begint het te regenen. Vlak voor je de radio uitzet hoor je nog iemand reppen over een najaarsstorm en natte sneeuw. ‘De tyfus’ Brom je, zoals alleen echte beren dat kunnen. En dan ga je op bed liggen. Je trappelt nog wat met je benen, teneinde het bed nog nét iets sneller te verwarmen. En langzaam sluiten je ogen zich. Tot maart. Oh mijn lieve Heer, in al Uw wijsheid, waarom ben ik toch geen beer?