zaterdag 7 mei 2022

In je Eendje..

 

Ik neem plaats op een bankje in het park, naast mijn oma. Ze is veertig jaar terug overleden maar dit feit, deze akelige hobbel in onze relatie en geschiedenis, lijkt ons op geen enkele manier te verbazen of in de weg te staan. Hier zaten we voorheen altijd als ik de eendjes ging voeren; een absoluut hoogtepunt in de oneindig lange weken van een kleuter. We kijken over het water, net als toen, en ze merkt even op dat er weinig veranderd lijkt te zijn. Ik beaam dat. Het water is nog het water en de bomen zijn de groene strijd met de winter, die vlak achter ons ligt, weer flink aan het winnen. Kinderen spelen op het grasveld of razen met hun fietsjes -imaginaire doch supersnelle Harley Davidsons- over het fietspad vlak achter ons. Omgeven door een strakblauwe lucht vrolijk versierd met dottige witte wolkjes, schijnt een duchtige lentezon. Het is hier mooi. Het is hier rustig. Het is hier inderdaad net als toen.

Ze vraagt hoe het met me gaat en ik zeg dat ik haar heb gemist. Ze kijkt even mijn kant op en glimlacht. Ik heb die lach veertig jaar niet gezien maar zo voelt het niet. Die heb ik namelijk al talloze keren voor de geest gehaald. Net als haar stem, sommige blikken in haar ogen of hoe ze met haar vingers zat te draaien als ze in gedachten verzonken was. Eigenlijk is ze nooit helemaal weggeweest. Dan kun je nog zo dood zijn, maar sommige dingen sterven niet met je mee he? Soms leeft je glimlach nog een tijd door. In de gedachten van hen die blij met je waren. Die van je hielden. Je nooit helemaal los kunnen laten zolang ze leven. Ik denk dan ook niet dat het verkeerd is om zoveel als mogelijk te glimlachen in je leven. Dan leef je langer. Of is dat een hele naïeve gedachte?

Ze rommelt wat in haar tas. En vist er een plastic zakje uit. Oud brood. Zo te zien wit en bruin door elkaar. Net als altijd ook nu weer zorgvuldig voor dit doel bewaard. ‘Ben ik daar niet wat te oud voor?’ Vraag ik. Weer die glimlach. ‘Als het op dit moment weer even vroeger is, lijkt me dat geen probleem.’ Uit het niets hebben een stuk of acht eenden zich aan de waterkant verzameld. Ze maken eendengeluiden en kijken hoopvol onze kant op. Ik pak de zak met brood aan, sta op en ben nog één keer jong. Terwijl ik stukjes brood zorgvuldig zo goed mogelijk over mijn kwakende vrienden probeer te verdelen zien voorbijgangers een klein jochie eendjes voeren, op zomaar een zonnige dag, vlakbij een leeg bankje. Als ik achterom naar mijn oma kijk zit ze met een glimlach met haar vingers te draaien. In gedachten verzonken. Het is rustig. Het is eindelijk weer eens net als toen.