Ik neem plaats op een bankje in het park, naast mijn oma. Ze
is veertig jaar terug overleden maar dit feit, deze akelige hobbel in onze
relatie en geschiedenis, lijkt ons op geen enkele manier te verbazen of in de
weg te staan. Hier zaten we voorheen altijd als ik de eendjes ging voeren; een
absoluut hoogtepunt in de oneindig lange weken van een kleuter. We kijken over
het water, net als toen, en ze merkt even op dat er weinig veranderd lijkt te
zijn. Ik beaam dat. Het water is nog het water en de bomen zijn de groene
strijd met de winter, die vlak achter ons ligt, weer flink aan het winnen.
Kinderen spelen op het grasveld of razen met hun fietsjes -imaginaire doch
supersnelle Harley Davidsons- over het fietspad vlak achter ons. Omgeven door
een strakblauwe lucht vrolijk versierd met dottige witte wolkjes, schijnt een
duchtige lentezon. Het is hier mooi. Het is hier rustig. Het is hier inderdaad
net als toen.
Ze rommelt wat in haar tas. En vist er een plastic zakje uit. Oud brood. Zo te zien wit en bruin door elkaar. Net als altijd ook nu weer zorgvuldig voor dit doel bewaard. ‘Ben ik daar niet wat te oud voor?’ Vraag ik. Weer die glimlach. ‘Als het op dit moment weer even vroeger is, lijkt me dat geen probleem.’ Uit het niets hebben een stuk of acht eenden zich aan de waterkant verzameld. Ze maken eendengeluiden en kijken hoopvol onze kant op. Ik pak de zak met brood aan, sta op en ben nog één keer jong. Terwijl ik stukjes brood zorgvuldig zo goed mogelijk over mijn kwakende vrienden probeer te verdelen, zien voorbijgangers een volwassen man eendjes voeren, op zomaar een zonnige dag, vlakbij een leeg bankje. Als ik achterom naar mijn oma kijk zit ze met een glimlach met haar vingers te draaien. In gedachten verzonken. Het is rustig. Het is eindelijk weer eens net als toen.